zaterdag 5 februari 2011

Vrije ruimte, module 6 klas 4

Elk vak, dat iemand studeert of beoefent heeft zo zijn grenzen. Daarmee wordt bedoeld, dat er misschien wel heel veel kan, maar dat je best eens de vraag mag stellen of “alles is toegestaan”. Voorbeeld: Iemand studeert biologie of is bioloog.  Tijdens de studie ( het werk ) komt de opdracht om mee te doen aan een  onderzoek en daarbij zelf “als proefkonijn” te fungeren. Wat zou je zelf doen? Waarom? Wat vind je van mensen die tegen jouw keuze ingaan?

A. Neem één van je eigen eindexamenvakken.
B. Bedenk een voorbeeld van zo’n “grensprobleem”.
C. Behandel de in de inleiding genoemde vragen
D. Interview je vakdocent over dit vraagstuk en geef daarvan een verslag in je  werkstuk. Je bedenkt dus een aantal ‘zinnige’ vragen om met je docent een gesprek te kunnen voeren over jouw ‘vraagstelling

Je werkstuk bestaat uit 1200 woorden.

Sektes, module 5 klas 4

Meestal wordt een sekte omschreven als: “ een groep gelovigen, die vaak slechts enkele ideeën uit de oorspronkelijke godsdienst heeft over gehouden en streng aan die enkele regels probeert vast te houden”.

A. Je neemt één van de onderstaande sektes:
    1. Moon sekte
    2. Unified Family
    3. Christian Science
    4. Jehova’s Getuigen
    5. Baghwan beweging
    6. Bahái
    7. Krishna Murti
    8. Hare Krishna
    9. Een sekte naar keuze ( je legt je eigen keuze ter goedkeuring voor aan de                docent! )

B. Je beschrijft het ontstaan. (wie is de stichter, waar is het ontstaan etc.)
C. Je beschrijft de hoofdgedachten van deze sekte. (wat geloven ze, wat willen ze, hoe doen ze etc.)
D. Je geeft in eigen woorden een reactie op B en C. Let vooral op de argumenten die je aanvoert: ‘dat vind ik gek’ is iets anders dan: ‘dat vind ik vreemd, want….)
E. Je voorziet je werkstuk van een illustratie of (kranten)artikel. (hierin onderstreep je de dingen die je opvallend vind of ‘gek’)
F. Leg kort ‘het onderstreepte’ uit.

Je werkstuk bestaat uit tenminste 1200 woorden.

Christendom vergeleken, module 4 klas 4

Het christelijk geloof kent een heleboel “gedachten” en “vormen”: men gelooft bepaalde dingen, men viert bepaalde feesten, men vindt dat bepaalde dingen niet kunnen.

A. Je neemt ""iets" uit het christendom en je beschrijft zo uitgebreid mogelijk wat je daarover kunt vinden in de literatuur/internet. Daarbij kun je denken aan: een gebruikk (dopen, avondmaal etc.), de bijbel (andere heilige boeken), een standpunt (de rol van de vrouw, gedragsregels etc.)
B. Je gaat op zoek of je een vergelijkbaar gebruik of een vergelijkbare gedachte bij een andere grote godsdienst kunt vinden en je beschrijft je “vondst”. Als voorbeeld: je kiest voor de bijbel (christendom) en vergelijkt die met de koran (islam) Wat zijn de grote verschillen, wat de opvallende overeenkomsten?
C. Je voorziet je werkstuk van tenminste 2 illustraties. Een titelpagina van een bijbel en van een koran ( zie voorbeeld bij B.) is voldoende.

Het geheel omvat ong. 1500 woorden